Volgen

Hoe maak ik een fiscale waarderingsberekening voor een stijgend pensioen?

Indien het pensioen een stijging na de ingangsdatum kent, dient voor de actuariële waardering in beginsel geen stijging te worden opgegeven. Op grond van artikel 3.29 moet de gesaldeerde rekenrente voor het doelvermogen immers minimaal 4% bedragen. Als de marktrente dus onder de 6% ligt, kan een stijging niet (geheel) worden meegenomen, uitgaande van de gebruikelijke open index stijging van 2%.

Wanneer de toezegging echter extern in eigen beheer wordt gehouden (Pensioen BV, directiepensioenlichaam, holding) en een open indexatie bepaling kent, dient de stijging wel te worden meegenomen. Het besluit van de belastingdienst d.d. 3 juli 2008 bepaalt dat in die gevallen de open index vastgesteld mag worden op 2%. De BV kan er uiteraard altijd voor kiezen om een eigen ervaringscijfer, veelal gebaseerd op een reeks percentages uit eerdere jaren, te (blijven) hanteren.

Aanvulling op bovenstaande bepaling voor pensioenen extern in eigen beheer met een open index is dat de premie uitsluitend ten laste van de winst mag worden gebracht tot het niveau van een reële rekenrente van 4%. Indien de rekenrente doelvermogen, verminderd met 2% of een op een ervaringscijfer gebaseerd indexatiepercentage, in enig jaar lager is dan 4%, kan afhankelijk van de contantmakingsrente het deel van de premie boven die premie op basis van een 4% rekenrente niet ten laste van de winst worden gebracht. Dat deel blijft dan ook geactiveerd als vooruitbetaalde kosten op de balans van de betalende BV staan.

Deze situatie, een gecombineerde uitvoering en toezegging van extern eigen beheer met een open index, vergt dus meerdere berekeningen om te bepalen of de premie in zijn geheel ten laste van de winst kan komen, fiscaal gezien.

Was dit artikel nuttig?
Aantal gebruikers dat dit nuttig vond: 0 van 0
Hebt u meer vragen? Een aanvraag indienen